| Droom
De lieve doden zitten in een tijdloze kamer met de deuren dicht.
Er gaan dagen voorbij dat ik niet aan hen denk.
Ze raken bedolven onder lagen en lagen van leven.
Vannacht kwam ik je tegen op een grasveld, riep ik
Waar was je, waar was je? Als water wilde ik mij leggen langs je lichaam, het was vrede, niets kon mij deren.
Het verlangen wordt in de droom opgerold. Ik dek je toe met de deken van een nieuwe dag als ik opsta.
|